De Mohammedanen die de Straat van Gibraltar in het jaar 711 overstaken, installeerden zich in wat toentertijd een Visigotisch dorpje was op de heuvel van het Alhambra. Daar vestigden zij zich, bouwden de stadsmuren en legden de grondslagen voor de ontwikkeling van de daarop volgende bloeiende beschaving. In de 9de eeuw, na de val van het kalifaat van Córdoba begon Granada steeds belangrijker te worden. Het hoogtepunt werd bereikt in 1238, toen Mohammed Ben Nasar de Nazaritische dynastie uitstrekte van Gibraltar tot aan Murcia. Zijn dynastie bracht twintig koningen voort en kwam tot een einde in 1496, toen koning Boabdil zich verplicht zag Granada over te dragen aan het Katholieke Koningspaar.
In drie eeuwen ontwikkelde zich een schitterend rijke Islamitische cultuur die een erfgoed aan bouwwerken van onnoemelijke waarde heeft achtergelaten zoals bijvoorbeeld het Alhambra, dat tesamen met El Generalife en de wijk Albaicín verklaard is tot Werelderfgoed. De bloei van de stad zette zich voort na de verovering, gestimuleerd door het Katholieke Koningspaar dat nieuwe kerkelijke en niet-kerkelijke gebouwen liet neerzetten.