Prehistorie en Oudheid
Er zijn maar weinig gebieden in Europa waar zo veel getuigenissen van het prehistorische verleden bewaard zijn gebleven als in Andalusië. Een aantal daarvan is pas in de jaren vijftig van de 20ste eeuw ontdekt. De meeste vondsten zijn gedaan in ontoegankelijk terrein, zoals de heuvels en bergen van de provincies Cordoba, Granada, Cadiz, Malaga en Almeria. Overblijfselen uit het Paleolithicum (30000-9000 v.Chr.) zijn de Pileta-grotten te Benaoján (Málaga), met hun vele kilometers lange galerijen vol afbeeldingen van dieren en (van iets recentere datum) symbolische tekeningen, en de grotten van Nerja (Málaga). Beide grottenstelsels staan onder speciale bescherming. De Ambrosio-grot in Vélez Blanco (Almería) met zijn decoratief gebeeldhouwde fries op één van de wanden is een heel bijzonder voorbeeld van een openluchtheiligdom.In het Neolithicum vond de ontwikkeling plaats naar meer gestileerde antropomorfe en zoömorfe figuren naast tekeningen van de zon, idolen en diverse symbolen. De grotten van Tajo de las Figuras (Cádiz), La Graja (Jaén) en Los Letreros (Vélez Blanco, Almería) dateren van deze periode. In het derde millennium v.Chr. onderging het gebied de invloed van beschavingen uit het Middellandse-Zeegebied. Dit luidde het begin in van de megalithische cultuur, die haar hoogtepunt beleefde in het tweede millennium en waarvan het meest sprekende voorbeeld het dorp Los Millares (Gádor, Almería) is.
Dit grote complex van muren en gemeenschappelijke graftombes bewijst dat het volk dat het gebouwd heeft, niet alleen verstand had van metaalbewerking, maar ook van keramiek, manden vlechten en weven. Speciale vermelding verdienen verder de dolmens van Menga, Viera en Romeral in Antequera, die van Valencina de la Concepción, en de 3de-4de-eeuwse dolmen del Soto bij Trigueros. Al deze megalithische constructies worden beschouwd als de allerfraaiste van Spanje, zowel qua formaat als vanwege het hoge culturele niveau dat ze weerspiegelen.
Schilderkunst
De Spaanse schilderkunst heeft zeer veel imponerende schilders opgeleverd. Een kleine greep hieruit: Diego de Velzquez (17de eeuw), Francisco de Goya, Joan Miro, Salvador Dali, Pablo Picasso (deze laatste drie behoorde in de vroeg 20ste eeuw tot de Parijse school), El greco, Antonio Saura en Antonio Tapies. Als grondlegger van de Moderne kunst kan de Spaanse meester schilder Pablo Picasso worden gezien. Een van zijn meesterwerken bedraagt het alom bekend schilderij Guernica.Guernica
Dit kolossale werk van meesterschilder Picasso, circa 3,5 m hoog en 7,5 m breed, was voor het eerst te zien in het Spaanse paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs. Guernica y Luno is de naam van een stadje in Baskenland waar zich ook nu nog het parlement en de eeuwenoude eik bevinden die vanouds zinnebeelden zijn van de Baskische vrijheid. Baskenland had in 1936 de zijde van de republiek gekozen en behoorde met Asturie, Catalonie en Madrid tot de voornaamste tegenstanders van Franco.Hoewel Guernica y Luno van geen enkel strategisch belang was, bombardeerden de Duitsers, die Franco te hulp waren gekomen, het stadje om zijn symbolische waarde op 26 april 1937. Die dag was er markt in Guernica y Luno. Het bombardement duurde drie uur en maakte meer dan 3000 slachtoffers. Het was het eerste voorbeeld van een terreurbombardement in de wereldgeschiedenis. Onder de indruk van deze oorlogsmisdaad schilderde Picasso zeer snel zijn 'Guernica', een werk dat gezien kan worden als een kreet van verontwaardiging en afschuw, gericht tegen chaos en dood.
Romeinse kunst (1ste eeuw v.Chr. - 4de eeuw n.Chr.)
De Romeinen, die in de 2de eeuw v.Chr. naar Hispania kwamen, introduceerden onmiddellijk de officiële kunst van hun keizerlijke hoofdstad in de nieuwe gebieden. Daarvoor reisden kunstenaars mee met de bezettingsmacht. Hoewel tal van werken werden voltooid of geheel vervaardigd op het Iberisch schiereiland, is er geen sprake van een echte Spaans-Romeinse kunst, maar van Romeinse kunst die in Hispania werd gecreëerd.Baetica, het meest ontwikkelde gebied op het Iberisch schiereiland ten tijde van de Romeinse overheersing, groeide naarmate er meer nieuwe nederzettingen werden gesticht. Deze ontstonden vooral langs de Guadalquivir (door de Romeinen Betis genoemd) en hadden een plattegrond met een rasterpatroon dat was gekopieerd van Rome zelf.
Cordoba, de hoofdstad van de provincie, stak mager af bij de glorie van Itálica, dat tot grote bloei kwam onder de keizers Trajanus en Hadrianus, beiden afkomstig uit Andalusie. Hispalis (Sevilla), Carmona en Acinipo (Ronda la Vieja) telden tal van weelderige patriciërshuizen alsmede grote openbare gebouwen van marmer uit Macael (Almeria).
De Romeinse beeldhouwkunst koos veelal de keizers en hun families tot onderwerp (Trajanus, Hadrianus en Vespasianus), evenals de goden en godinnen van het pantheon (Venus in Itálica bijvoorbeeld). De aankleding van patriciërshuizen volgde eveneens de mode van Rome. Veelkleurige thematische mozaïeken weerspiegelen de functie van de desbetreffende ruimten.
Kleine bronzen figuurtjes illustreren het werk van uit Afrika geïmporteerde slaven (vlaggenstandaards, kandelaars), terwijl huisgoden (Iaren) in de vorm van beeldjes toezicht houden op de dagelijkse gang van zaken. Ook de inrichting en het ontwerp van de plattelandsvilla's, een Romeinse creatie, hadden grote invloed op de Andalusische volksarchitectuur.
Spaans-Visigotische kunst (6de-8ste eeuw)
De Visigoten die Spanje in de 5de eeuw binnenvielen, waren nomadenstammen zonder eigen vorm van architectuur. Daardoor bleven de paleochristelijke tradities, waarin al Byzantijnse en oriëntaalse invloeden waren opgenomen, tot aan het einde van de 6de eeuw bestaan in het Romeinse Baetica. Het Derde Staatsconcilie van Toledo (589), waarop de eenheid van het koninkrijk werd geproclameerd, was het beginpunt voor nieuwe architectonische vormen die zich samenvoegden tot een onbetwiste uniforme stijl.Bij religieuze gebouwen ontwikkelde het klassieke basiliekgrondplan zich tot een kruisvorm, zij het in enigszins gewijzigde vorm, zoals te zien is in Alcalá de los Gazules. Schepen en zijbeuken werden van elkaar gescheiden door zuilen of pilaren met hoefijzerbogen erop. De gebouwen hadden meestal tongewelven en die zijbeuken vaak een houten armatuur. In de decoratie van muren, imposten en kapitelen was een onmiskenbaar oosterse invloed terug te vinden, met een sterk accent op geometrische motieven tegenover vegetale en zeer weinig menselijke figuren. Aan de buitenkant van de Visigotische tempels werden nooit steunberen aangebracht.
Aangezien vrijwel elke Visigotische tempel later werd verbouwd, is het oorspronkelijke grondplan van deze primitieve gebouwen tegenwoordig op nog slechts enkele plaatsen te vinden, onder meer in San Pedro de Alcántara (Malaga), El Germo (Cordoba) en Gerena (Sevilla). Het meest in het oog springende kenmerk van de Visigotische kunst is het goud- en zilversmeedwerk, dat in de 7de eeuw zijn hoogste graad van perfectie bereikte. Handwerkslieden maakten twee soorten kunstvoorwerpen: liturgische voorwerpen (processiekruizen en votiefobjecten zoals hun beroemde kronen) en persoonlijke artikelen als gespen, armbanden, halskettingen en hangers. Sommige daarvan liggen tentoongesteld in de musea in de regio. Die in Torredonjimeno (Jaen) behoren tot een schat die vóór de Moorse veroveringen door de Visigoten werd begraven.
Spaans-Moorse kunst (8ste-15de eeuw)
De Moorse invasie moet aanvankelijk een verschrikkelijke tragedie hebben geleken, maar was in feite het begin van een glorieus tijdperk. De bewoners van de regio konden hun ware creativiteit en vitaliteit uitleven vanaf het moment dat ze in contact kwamen met de esthetische ideeën van de islam. Gedurende de acht eeuwen van de Moorse bezetting van Spanje heeft de Andalusische kunst echter altijd enkele artistieke basiskenmerken behouden, waardoor zij zich duidelijk onderscheidde van de andere artistieke stromingen uit die tijd.Bogen
Tijdens de begindagen van de Moorse overheersing was de hoefijzerboog met zijn Visigotische en oosterse invloed en afwisselende rode (baksteen) en witte (pleister met kalksteen) boogstenen het belangrijkste kenmerk van de Moorse bouwkunst.Gewelven, armaturen en artesenado-plafonds
Spaans-Moorse gewelven werden beïnvloed door oosterse islamitische kunst. In tegenstelling tot de kruisribgewelven die in de christelijke architectuur gebruikelijk waren, kruisten de ribben elkaar niet in het midden van het gewelf. Misschien zijn de gewelven voor de mihrab in de Mezquita van Córdoba één van de beste voorbeelden.Decoratie: materialen en motieven
De Andalusische paleizen verborgen achter een sober uiterlijk vaak een uitzonderlijke pracht en praal, hoewel de gekozen middelen veelal de slechte kwaliteit van de bouwmaterialen maskeerden. De verfijnde esthetiek van de Moren wist op een succesvolle manier uiteenlopende technieken te combineren, zoals azulejos en alicatados (decoratieve tegeltableaus), panelen van natuursteen of reliëfpleisterwerk, mozaïeken met oosterse invloeden, sierhekwerk van hout, en verfijnd artesonado. Hierdoor ontstonden verrassend weelderige effecten.Toegepaste kunst
De Andalusische toegepaste kunst bracht een grote verscheidenheid aan rijk gedecoreerde voorwerpen voort, die in twee groepen kunnen worden ondergebracht: de gebruiksvoorwerpen en de luxeartikelen. Luxeartikelen werden vooral vervaardigd voor de heersende klasse, die een verfijnde smaak had en veel belang hechtte aan fraaie interieurs en unieke cadeaus voor buitenlandse bezoekers.Romaanse kunst in Spanje
Een van de hoofdstukken uit de Spaanse kunstgeschiedenis die onder de critici de meest wisselende belangstelling heeft gewekt betreft de Romaanse periode. Gedurende lange tijd was het Romaanse Spanje weinig bekend en nog minder bestudeerd en in het algemeen heette de stijl een duistere, bescheiden en provinciale afspiegeling te wezen van de Franse. Deze vergissing is begrijpelijk als we letten op de problemen waarvoor de experts zich gesteld zien bij de bestudering van deze periode. Anders dan de gotiek is de Romaanse tijd niet al te diepgaand onderzocht. Het ontbreken van schriftelijke informatie en de complexe veelzijdigheid van nationale en regionale uitdrukkingsvormen die de stijl heeft gekend in alle landen, heeft een wetenschappelijke benadering tot deze eerste christelijke kunstvorm in Europa steeds danig bemoeilijkt. Deze periode eist dan ook van de onderzoeker een zeer scherpzinnig vermogen tot formeel analyseren, en bijna de romantische roeping van de detective die veel verder gaat dan de algemene eruditie die is vereist voor het bevatten van elke andere periode uit de kunstgeschiedenis. In het geval van Spanje worden de interpretatieproblemen van de Romaanse stijl waarvoor we ons gesteld zien, zoals het gebrek aan nauwkeurige en betrouwbare teksten waardoor een objectieve studie wel heel moeilijk, en soms zelfs onmogelijk wordt, nog aangescherpt door de bijzondere situatie waarin het land zich in die tijd bevond. Het was de tijd waarin het schiereiland zich begon te ontworstelen aan de islamitische cultuur die op dal moment nog heersende was, om definitief over te hellen naar de invloeden uit het westen. Spanje was nog een smeltkroes van verschillende onderling nauw verbonden gemeenschappen, en tegelijkertijd het toneel van een strijd tussen twee vijandige werelden die beslissend zou zijn voor het lot van Europa. Deze bijzondere situatie was bepalend voor het complexe en aantrekkelijke karakter van de Spaanse Romaanse kunst, waarvan de originaliteit en het belang heden niet alleen boven alle twijfel zijn verheven, maar zelfs wedijveren met Frankrijk in de delicate kwestie wie de voortrekker was in de verre origines van de stijl en in het ingewikkelde probleem van de wederzijdse beïnvloeding. Hoe het ook zij, deze gehele problematiek, die een intrigerend raadsel blijft vormen voor de experts, is in werkelijkheid niet meer dan een extra punt van aantrekkingskracht voor de nieuwsgierige leek die, als hij besluit zich te begeven langs de Romaanse routes van het schiereiland, zonder twijfel een boeiende ervaring wacht. Van een plechtig en majestueus meesterwerk als de Kathedraal van Santiago de Compostela, tot de evocatieve betovering van ruïnes als die van San Juan de Duero, met de hele artistieke constellatie van beeldhouw- en schilderwerken waarmee zovele van de gebouwen uit die tijd gedecoreerd zijn, de reiziger die de monumenten van de Spaanse versie van deze stijl binnentreedt zal kunnen genieten van een heel bijzonder avontuur. Stilistische definities daargelaten, zal hij kennis maken met het vernuft, de verbeeldingskracht, de naïviteit en de wijsheid van kunstenaars die, werkende in de aan die tijd eigen anonimiteit, in staat zijn geweest ons een erfgoed na te laten van een ongekende schoonheid.Middeleeuwse kunst in Spanje
Na de verovering van Cordoba en Sevilla in de eerste helft van de 13de eeuw werd een christelijke bouwwijze ingevoerd onder het juk van het koninkrijk van Castilië. De bouw zelf werd echter toevertrouwd aan bekwame Moorse vaklieden. Dit leidde tot de ontwikkeling van de typisch Spaanse mudejarkunst, het resultaat van de fusie van islamitische en westerse artistieke concepten.De mudejararchitectuur evolueerde in de loop der eeuwen en paste zich steeds aan de dominante kenmerken van elk tijdperk aan. Daardoor is de mudejarstijl in Andalusie verschillend van die in andere Spaanse gebieden. Desondanks kan in het algemeen worden gezegd dat de stijl trouw bleef aan de moslimtradities qua gebruikte materialen (pleister, baksteen en hout), constructietechnieken (wanden, hoefijzerbogen en houten plafonds) en decoratie (verfijnd artesonado, het gebruik van alfiz en gecompliceerd pleisterwerk).
De kerken van Sevilla (San Marcos, San Pablo en Santa Marina), die in het algemeen zijn gebouwd van baksteen, hebben artesonado-plafonds en vertonen de traditionele kenmerken van de Almohadische decoratie. Belangrijke voorbeelden van burgerlijke architectuur, waarin daken met twee of vier schuine vlakken de boventoon voeren, zijn onder meer het Alcázar in Sevilla, dat Peter I in 1366 herbouwde, de Torre de Don Fadrique (Sevilla), de Torre de El Carpio (Córdoba), het Castillo de San Romualdo (San Fernando, Cádiz) en het Casa de Pilatos (Sevilla).
De Renaissance
De komst van de Renaissance in Spanje viel samen met een nieuwe periode van pracht en praal in Andalusie. Sevilla, dat een monopolie op de handel met de Nieuwe Wereld had, evenals Cordoba en Granada ontwikkelden zich tot culturele artistieke centra met een uitstekende reputatie. Aanvankelijk blokkeerde de grandeur van de laat-gotische architectuur en de mudejartraditie de invoering van de Renaissance; in de eerste drie decennia van de 16de eeuw ontwikkelde zich daarentegen de platerescostijl, zo genoemd vanwege zijn uitbundige decoraties die doen denken aan zilverwerk (plata = zilver).De halfronde boog, bossage, de balustrades, de klassieke kapitelen en de ruime toepassing van medaillons en wapenschilden op de gevels van gebouwen zijn de meest kenmerkende aspecten van deze stijl, die schitterend vertegenwoordigd is in het stadhuis van Sevilla, een werk van Diego de Riaño. Geleidelijk werd meer belang gehecht aan proporties dan aan ornamentering. Het gevolg was dat de gotische ideeën volkomen verlaten werden. Door de vrijwel exclusieve toepassing van rondbogen werden tongewelven, rondbooggewelven en koepelgewelven belangrijke kenmerken. Decoratieve motieven werden steeds groter vanwege de trend naar de concentratie van versieringen in specifieke gebieden, waardoor elders grote open ruimten konden worden gecreëerd.
De Renaissancearchitectuur heeft in Andalusië drie grote namen voortgebracht. Diego de Siloé (1495-1563) voltooide de kathedraal van Granada na de gotische plannen van Enrique de Egas te hebben aangepast. Het bouwwerk is één van de belangrijkste uit deze hele periode en fungeerde als voorbeeld voor de kathedralen van Málaga en Gaudix. De architect en schilder Pedro Machuca († 1550) is zijn Italiaanse leerschool altijd trouw gebleven. Het paleis van Karel V in het Alhambra, zijn meest indrukwekkende werk, is een zeldzaam innovatief bouwwerk dat in zijn eigen tijd volkomen verkeerd werd begrepen.
Andrés Vandelvira († 1575), die nauw samenwerkte met Diego de Siloé, drukte het stempel van zijn gedurfde aanpak op de kathedraal van Jaén en op andere gebouwen in dezelfde provincie, met name in Ubeda (Iglesia del Salvador) en Baeza. De belangrijkste renaissancefiguren in Sevilla waren Martín Gaínza, de architect van de koningskapel in de kathedraal van de stad, en Hernán Ruiz, die verantwoordelijk was voor de buitenkant en de spits van de Giralda.
In het laatste derde deel van de 16de eeuw onderging Spanje eveneens de sterke invloed van de Herrerastijl, die was gecreëerd door Juan de Herrera en die is terug te vinden in het Escorial, het paleis van Filips II in de provincie Madrid. In Sevilla is eveneens een werk te vinden van deze favoriete architect van Filips II: het Archivo General de Indias (bibliotheek), dat met zijn sobere rechthoekige gevel alle karakteristieke kenmerken vertoont van de kunst van de Contrareformatie.
Barok (17de-18de eeuw)
Tijdens de eerste helft van de 17de eeuw bleef de invloed van de Herrerastijl zichtbaar: kerken met een uiterst simpel rechthoekig grondplan, decoratieve pleistermotieven en incidenteel een gevel die versierd was met azulejopanelen (Hospital de la Caridad, Sevilla). Langzaam maar zeker veranderde deze soberheid en begonnen gebouwen weer een rijkere versiering te krijgen. De gebouwen zelf bleven echter eenvoudig van ontwerp. Veel koepels leken alleen maar gemaakt van steen, maar waren in feite vervaardigd van hout met een bekleding van pleisterwerk. Het was in de loop van deze eeuw dat de architect, beeldhouwer en schilder Alonso Cano de kathedraal van Granada creëerde.Rond 1700, een periode die samenviel met de opkomst van de Bourbons, bereikte de Andalusische barok zijn meest weelderige fase. De verbeeldingskracht van de kunstenaars leek geen grenzen meer te kennen. Met de concave en convexe structuren werden golfbewegingen in gevels gesuggereerd en ieder oppervlak werd uitbundig versierd met volutes, bloemenslingers en schroefzuilen.
Onder de gemeenschappelijke noemer van de weelderigheid achtten architecten zich gemachtigd om de barok geheel naar hun eigen persoonlijke voorkeuren te interpreteren. Moorse invloeden en een fantasierijk gebruik van kleur zijn hoofdelementen in de opzichtige Sagrario in het kartuizerklooster (Cartuja) in Granada, die ontworpen werd door Francisco Hurtado (1669-1725). Vicente Acero, de architect van de Real Fábrica de Tabacos (Koninklijke Tabaksfabriek), liet zich inspireren door Siloé's renaissancekathedraal in Granada toen hij begon aan de laatste grote kathedraal van Spanje, die tussen 1722 en 1729 in Cadiz verrees.
De Sevilliaan Leonardo de Figueroa (1650-1730), de bouwer van een aantal belangrijke openbare gebouwen zoals het Palacio de San Telmo (tegenwoordig de zetel van het Andalusisch parlement) en het Hospital de Venerables, was eveneens verantwoordelijk voor verscheidene fraaie kerken, waaronder de Iglesia del Salvador en de Iglesia de San Luis de los Franceses. In deze laatste kerk met zijn centrale grondplan en zijn schroefzuilen demonstreerde hij zijn imposante vermogen om baksteen, keramiek en gekleurd pleisterwerk te combineren.
19de en 20ste eeuw
Na enkele eeuwen van artistieke pracht en praal, leek de ader van de Andalusische creativiteit aan de vooravond van de 19de eeuw enigszins opgedroogd. De ernstige economische crisis in het gebied maakte ook het aantal opdrachten schaars. Prestigieuze projecten werden nauwelijks ondernomen. Desondanks wisten enkele Andalusische kunstenaars toch hun stempel op het Spaanse kunstleven te drukken.